De meest gestelde vragen
Ouders en verzorgers van baby's hebben veel vragen. Ook als zij de verzorgingsadviezen kennen. Het consultatiebureau is het eerst aangewezen adres voor deskundig advies en beantwoording van specifieke vragen over de eigen baby. Soms is het verstandig huisarts of kinderarts te raadplegen.Op de meest gestelde verzorgingsvragen geeft het hieronder volgende overzicht de antwoorden. De adviezen zijn er vooral op gericht het (zelf)vertrouwen van ouders te versterken.
Buikligging wordt afgeraden, maar mijn kind is nu enkele maanden oud en draait in de slaap naar de buik. Of: Mijn kind wil alleen maar op de buik slapen, anders huilt het. Wat moet ik trouwens geloven, de ene keer wordt buikligging geadviseerd en dan is het weer rugligging?
In ons land zijn baby’s eeuwenlang altijd op de rug te slapen gelegd. Met uitzondering van een periode in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen vanuit Amerika een voorkeur op kwam voor buikligging. Nederland behoorde tot de landen die toen buikligging gingen adviseren. Oplettende kinderartsen zagen na enige tijd een forse toename van baby’s die in buikligging overleden. Onderzoek leidde in 1987 in Nederland tot terugkeer naar rugligging, de rest van de westerse wereld volgde later. De ontdekking was tevens het startsein voor een nog steeds voortdurende reeks onderzoeken die hebben geleid tot de adviezen die op rij zijn gezet in Veilig Slapen. Deze adviezen worden nog steeds in kleine stapjes uitgebreid en verfijnd.
In ons land zijn baby’s eeuwenlang altijd op de rug te slapen gelegd. Met uitzondering van een periode in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen vanuit Amerika een voorkeur op kwam voor buikligging. Nederland behoorde tot de landen die toen buikligging gingen adviseren. Oplettende kinderartsen zagen na enige tijd een forse toename van baby’s die in buikligging overleden. Onderzoek leidde in 1987 in Nederland tot terugkeer naar rugligging, de rest van de westerse wereld volgde later. De ontdekking was tevens het startsein voor een nog steeds voortdurende reeks onderzoeken die hebben geleid tot de adviezen die op rij zijn gezet in Veilig Slapen. Deze adviezen worden nog steeds in kleine stapjes uitgebreid en verfijnd.
Aangeraden wordt om de aanbevelingen in hun geheel te volgen om voor de baby een zo veilig mogelijke situatie te scheppen. Boven twijfel is verheven dat buikligging riskant is voor een slapende baby; een infectie (bij voorbeeld verkoudheid) maakt dat risico nog groter. Daarom is het verstandig om een baby zo snel mogelijk aan rugligging te wennen. Gewenning heeft effect, zo is aangetoond.
Als een baby groter wordt, gaat hij draaien. Draaien naar de buik in de fase waarin de baby daarmee nog geen of nauwelijks ervaring heeft opgedaan, levert een risicomoment of -periode op. Daarom is het raadzaam om een baby als hij wakker is, op de buik te laten oefenen. Doe dat enkele malen per dag een kwartiertje, terwijl je er een oogje op houdt. Gemiddeld met 5 maanden kunnen baby’s draaien, maar een heel vlotte baby lukt het soms al met 3 maanden. Extra waakzaamheid in de beginperiode is aan te bevelen.
Je kunt het risicomoment van draaien ook wat vertragen tot de baby wat sterker is door een babyslaapzakje te gebruiken met eventueel een stevig ingestopt laken dwars over heupen en beentjes.
Niet alle baby’s houden zich aan wat wij verstandig vinden, en een behoorlijke minderheid ontwikkelt toch een voorkeur voor slapen op de buik. Als een baby gezond is, zich normaal ontwikkelt in een rookvrije omgeving, en de overige aanbevelingen (veilig bed, dichtbij de ouders slapend, etc) worden toegepast, dan is het niet zinvol om het kind steeds terug te leggen op de rug met het risico dat je de slaap verstoort. Het is niet ongewoon dat een slapende baby korte perioden met het gezicht omlaag ligt, waarna het hoofd weer opzij draait.
Een huilbaby is een verhaal apart, zie de vraag daarover.
Als een baby groter wordt, gaat hij draaien. Draaien naar de buik in de fase waarin de baby daarmee nog geen of nauwelijks ervaring heeft opgedaan, levert een risicomoment of -periode op. Daarom is het raadzaam om een baby als hij wakker is, op de buik te laten oefenen. Doe dat enkele malen per dag een kwartiertje, terwijl je er een oogje op houdt. Gemiddeld met 5 maanden kunnen baby’s draaien, maar een heel vlotte baby lukt het soms al met 3 maanden. Extra waakzaamheid in de beginperiode is aan te bevelen.
Je kunt het risicomoment van draaien ook wat vertragen tot de baby wat sterker is door een babyslaapzakje te gebruiken met eventueel een stevig ingestopt laken dwars over heupen en beentjes.
Niet alle baby’s houden zich aan wat wij verstandig vinden, en een behoorlijke minderheid ontwikkelt toch een voorkeur voor slapen op de buik. Als een baby gezond is, zich normaal ontwikkelt in een rookvrije omgeving, en de overige aanbevelingen (veilig bed, dichtbij de ouders slapend, etc) worden toegepast, dan is het niet zinvol om het kind steeds terug te leggen op de rug met het risico dat je de slaap verstoort. Het is niet ongewoon dat een slapende baby korte perioden met het gezicht omlaag ligt, waarna het hoofd weer opzij draait.
Een huilbaby is een verhaal apart, zie de vraag daarover.
Terug naar de inhoud
Kan een baby niet beter in zijligging slapen? Op de rug kan een kind toch stikken in slijm of voedsel?
In vele landen worden baby’s van begin af aan op de rug te slapen gelegd, maar in Nederland bestaat al lang de gewoonte om zuigelingen in wisselligging op de zij te leggen. Als dat zo gebeurt dat het onderste armpje naar voren wordt gelegd, is de kans op omrollen de eerste twee weken nog gering. Er is aan zijligging echter geen enkel voordeel verbonden. Integendeel: Na enkele weken ontstaat de kans dat de baby naar buikligging rolt. De zijligging wordt instabiel. Bij de ene baby wat eerder dan bij de andere. Dat oplossen door steuntjes in bed te leggen, valt af te raden. Voorwerpen in bed worden, zeker als zij zacht zijn, op een gegeven moment een risicofactor voor een steeds beweeglijker wordende baby. Hoe minder voorwerpen in het bedje, hoe veiliger het is voor de baby.
Belangrijker nog is te beseffen dat zijligging op zich risicoverhogend is, ook zonder dat de baby zich naar de buik draait. Dat geldt in versterkte mate voor te vroeg geboren baby’s.
Er wordt wel gedacht dat het risico van verslikken op de rug groter is dan op de zij, maar dat blijkt nergens uit. Een mondje teruggeven is niets bijzonders voor een baby. Stikken in slijm of voedsel gebeurt gelukkig uiterst zelden en er is geen enkel onderzoek bekend waaruit blijkt dat het risico op de rug groter is dan op de zij. Slapen op de rug met het hoofdje beurtelings naar links en naar rechts gewend is de veiligste slaaphouding. Wen je kind daar zo snel mogelijk aan.
In vele landen worden baby’s van begin af aan op de rug te slapen gelegd, maar in Nederland bestaat al lang de gewoonte om zuigelingen in wisselligging op de zij te leggen. Als dat zo gebeurt dat het onderste armpje naar voren wordt gelegd, is de kans op omrollen de eerste twee weken nog gering. Er is aan zijligging echter geen enkel voordeel verbonden. Integendeel: Na enkele weken ontstaat de kans dat de baby naar buikligging rolt. De zijligging wordt instabiel. Bij de ene baby wat eerder dan bij de andere. Dat oplossen door steuntjes in bed te leggen, valt af te raden. Voorwerpen in bed worden, zeker als zij zacht zijn, op een gegeven moment een risicofactor voor een steeds beweeglijker wordende baby. Hoe minder voorwerpen in het bedje, hoe veiliger het is voor de baby.
Belangrijker nog is te beseffen dat zijligging op zich risicoverhogend is, ook zonder dat de baby zich naar de buik draait. Dat geldt in versterkte mate voor te vroeg geboren baby’s.
Er wordt wel gedacht dat het risico van verslikken op de rug groter is dan op de zij, maar dat blijkt nergens uit. Een mondje teruggeven is niets bijzonders voor een baby. Stikken in slijm of voedsel gebeurt gelukkig uiterst zelden en er is geen enkel onderzoek bekend waaruit blijkt dat het risico op de rug groter is dan op de zij. Slapen op de rug met het hoofdje beurtelings naar links en naar rechts gewend is de veiligste slaaphouding. Wen je kind daar zo snel mogelijk aan.
Terug naar de inhoud
Mijn kind is een huilbaby, die alleen op de buik kan slapen. Wat zou ik anders moeten doen om hem rustig te krijgen?
Jaarlijks worden thans in Nederland iets meer dan 180.000 baby's geboren. Ongeveer 10 tot 15 procent daarvan is een huilbaby. Een veel gehanteerde definitie is: Een kind dat tenminste 3 uur per dag, tenminste 3 dagen per week, tenminste 3 weken lang ontroostbaar huilt. Ter vergelijking: een ‘niet-huilbaby’ huilt hooguit anderhalf uur op een dag (waarvan veel ouders/verzorgers zich trouwens niet realiseren dat dit normaal is).
Overmatig huilen kan in korte tijd een serieus probleem worden voor ouders/verzorgers, die het vaak maar amper aan kunnen en zich daar behoorlijk schuldig over kunnen voelen. Dat kan overigens ook het geval zijn zonder dat de baby precies aan de definitie van excessief huilgedrag voldoet. Slechts in een beperkt aantal gevallen kan een lichamelijke oorzaak worden aangewezen als verklaring. De meeste huilbaby’s mankeren niets.
Ouders hebben nogal eens de neiging om een huilbaby op de buik te slapen te leggen, omdat het kind dan rustiger is. Daarmee scheppen zij een beduidend verhoogd risico dat de baby in problemen komt; buikligging is risicovol voor baby’s. Recent onderzoek toont aan dat overmatig huilen en onrustig gedrag heel goed en verrassend snel kunnen worden beteugeld met het invoeren van rust en regelmaat, een voorspelbaar ritme in het verzorgingspatroon en het verminderen van prikkels. Ouders blijken, meestal met de beste bedoelingen, allerlei dingen te doen die een baby onrustig en geprikkeld maken, waardoor ze het huilen aanwakkeren in plaats van het kind tot bedaren te brengen. Als ouders daarover goed worden voorgelicht en begeleid, neemt het huilen vrijwel altijd al na enkele dagen sterk af. De in 2006 als proef begonnen huilbabypoli in het Arnhemse ziekenhuis Rijnstate maakt dat in de praktijk heel duidelijk.
Ernstige risico’s vormen smoren en door elkaar schudden van een baby, waar ouders in hun wanhoop soms toe overgaan. Een baby kan door schudden zwaar letsel oplopen zoals hersenbeschadiging, blindheid en achterstand in ontwikkeling. In het ergste geval brengt schudden ook het leven in gevaar. Overlijden is dan het gevolg van het zogeheten shaken baby syndroom.
Vraag het consultatiebureau of de dokter dus zo snel mogelijk advies als je kind een huilbaby is en laat je vooral geen onzin op de mouw spelden over darmkrampjes. Darmkrampjes komen algemeen voor in een stadium waarin de spijsvertering zich ontwikkelt. Vanaf de leeftijd van zes weken nemen ze af, bij 3 tot 4 maanden heeft de baby er normaal gesproken geen last meer van. Van babymassage is geen invloed aangetoond bij overmatig huilen.
Voor het geval u in het alternatieve circuit de oplossing zoekt: de noodzaak tot wervelmanipulatie bij zuigelingen door zogeheten chiropractors, osteopaten, manuele of craniosacraal therapeuten is wetenschappelijk nooit aangetoond, omstreden en niet zonder risico. Totnogtoe is in Nederland twee keer vastgesteld dat een zuigeling als gevolg van wervelmanipulatie is overleden.
Gewoonlijk bereikt het ‘normale’ huilen van een willekeurige baby een piek rond de leeftijd van 6 weken en is het na 3 maanden wel zo'n beetje afgelopen.
Al enkele malen is tijdens praktisch onderzoek vastgesteld dat ouders van een huilbaby verrassend snel rust kunnen vinden als zij begrijpen dat het verstandig is hun gedrag aan te passen aan hun baby door ertoe over te gaan hun kind volgens een regelmatig patroon te verzorgen en allerlei onrustig makende verstoringen te vermijden. Het gaat daarbij om betrekkelijk eenvoudige dingen als in een vaste en daardoor voor de baby herkenbare en al na korte tijd vertrouwde volgorde voeden, verzorgen en in bed leggen en niet te vaak oppakken, vermoeiende dingen ondernemen en het kind niet pas in het eigen bedje leggen als het op een andere plek al in slaap is gesukkeld. Ook is het voor je baby rustiger als niet voortdurend radio en tv aanstaan. Een of twee speeltjes zijn leuk, maar een box of bedje vol maakt onrustig.
In een beperkt aantal gevallen kan tijdelijk inbakeren voor de leeftijd van 7 weken helpen om rust en regelmaat te bereiken en vooral de voor de baby geruststellende voorspelbaarheid in het patroon van verzorgen.
Zie verder de vraag over inbakeren.
Jaarlijks worden thans in Nederland iets meer dan 180.000 baby's geboren. Ongeveer 10 tot 15 procent daarvan is een huilbaby. Een veel gehanteerde definitie is: Een kind dat tenminste 3 uur per dag, tenminste 3 dagen per week, tenminste 3 weken lang ontroostbaar huilt. Ter vergelijking: een ‘niet-huilbaby’ huilt hooguit anderhalf uur op een dag (waarvan veel ouders/verzorgers zich trouwens niet realiseren dat dit normaal is).
Overmatig huilen kan in korte tijd een serieus probleem worden voor ouders/verzorgers, die het vaak maar amper aan kunnen en zich daar behoorlijk schuldig over kunnen voelen. Dat kan overigens ook het geval zijn zonder dat de baby precies aan de definitie van excessief huilgedrag voldoet. Slechts in een beperkt aantal gevallen kan een lichamelijke oorzaak worden aangewezen als verklaring. De meeste huilbaby’s mankeren niets.
Ouders hebben nogal eens de neiging om een huilbaby op de buik te slapen te leggen, omdat het kind dan rustiger is. Daarmee scheppen zij een beduidend verhoogd risico dat de baby in problemen komt; buikligging is risicovol voor baby’s. Recent onderzoek toont aan dat overmatig huilen en onrustig gedrag heel goed en verrassend snel kunnen worden beteugeld met het invoeren van rust en regelmaat, een voorspelbaar ritme in het verzorgingspatroon en het verminderen van prikkels. Ouders blijken, meestal met de beste bedoelingen, allerlei dingen te doen die een baby onrustig en geprikkeld maken, waardoor ze het huilen aanwakkeren in plaats van het kind tot bedaren te brengen. Als ouders daarover goed worden voorgelicht en begeleid, neemt het huilen vrijwel altijd al na enkele dagen sterk af. De in 2006 als proef begonnen huilbabypoli in het Arnhemse ziekenhuis Rijnstate maakt dat in de praktijk heel duidelijk.
Ernstige risico’s vormen smoren en door elkaar schudden van een baby, waar ouders in hun wanhoop soms toe overgaan. Een baby kan door schudden zwaar letsel oplopen zoals hersenbeschadiging, blindheid en achterstand in ontwikkeling. In het ergste geval brengt schudden ook het leven in gevaar. Overlijden is dan het gevolg van het zogeheten shaken baby syndroom.
Vraag het consultatiebureau of de dokter dus zo snel mogelijk advies als je kind een huilbaby is en laat je vooral geen onzin op de mouw spelden over darmkrampjes. Darmkrampjes komen algemeen voor in een stadium waarin de spijsvertering zich ontwikkelt. Vanaf de leeftijd van zes weken nemen ze af, bij 3 tot 4 maanden heeft de baby er normaal gesproken geen last meer van. Van babymassage is geen invloed aangetoond bij overmatig huilen.
Voor het geval u in het alternatieve circuit de oplossing zoekt: de noodzaak tot wervelmanipulatie bij zuigelingen door zogeheten chiropractors, osteopaten, manuele of craniosacraal therapeuten is wetenschappelijk nooit aangetoond, omstreden en niet zonder risico. Totnogtoe is in Nederland twee keer vastgesteld dat een zuigeling als gevolg van wervelmanipulatie is overleden.
Gewoonlijk bereikt het ‘normale’ huilen van een willekeurige baby een piek rond de leeftijd van 6 weken en is het na 3 maanden wel zo'n beetje afgelopen.
Al enkele malen is tijdens praktisch onderzoek vastgesteld dat ouders van een huilbaby verrassend snel rust kunnen vinden als zij begrijpen dat het verstandig is hun gedrag aan te passen aan hun baby door ertoe over te gaan hun kind volgens een regelmatig patroon te verzorgen en allerlei onrustig makende verstoringen te vermijden. Het gaat daarbij om betrekkelijk eenvoudige dingen als in een vaste en daardoor voor de baby herkenbare en al na korte tijd vertrouwde volgorde voeden, verzorgen en in bed leggen en niet te vaak oppakken, vermoeiende dingen ondernemen en het kind niet pas in het eigen bedje leggen als het op een andere plek al in slaap is gesukkeld. Ook is het voor je baby rustiger als niet voortdurend radio en tv aanstaan. Een of twee speeltjes zijn leuk, maar een box of bedje vol maakt onrustig.
In een beperkt aantal gevallen kan tijdelijk inbakeren voor de leeftijd van 7 weken helpen om rust en regelmaat te bereiken en vooral de voor de baby geruststellende voorspelbaarheid in het patroon van verzorgen.
Zie verder de vraag over inbakeren.
Terug naar de inhoud
Ik wil niet dat mijn dochter/zoon een plat achterhoofd of een scheef hoofdje krijgt. Kan ik haar/hem niet beter op de zij leggen?
Als een babyhoofdje eenzijdig wordt belast, kan het afplatten of scheef groeien. Voorkomen dat dit gebeurt, is vooral een kwestie van goed opletten en van meet af aan ervoor zorgen dat je baby op de rug slaapt, maar met het hoofdje de ene keer naar links en de volgende maal naar rechts gekeerd. Draait je baby het hoofdje elke keer toch naar dezelfde kant, dan ontwikkelt hij een voorkeurshouding.
Zo'n voorkeurshouding kan hardnekkig zijn. Zodra je een voorkeurshouding opmerkt, is het verstandig om snel in overleg met consultatiebureau of huisarts na te gaan wat daar aan te doen valt.
Je kunt wisselligging van het hoofd stimuleren door bij voorbeeld het bedje te draaien, zodat het licht van een andere kant komt, of door een aandachttrekkend voorwerp te verplaatsen. Bij het aankleden en verschonen kun je de baby zoveel mogelijk benaderen van de kant die niet zijn voorkeur heeft door hem met het achterhoofd naar je toe op het aankleedkussen te leggen. Het helpt ook om bij het voeden steeds van arm te wisselen, bij borstvoeding gaat dat vanzelf, bij flesvoeding moet je er aan denken.
In een beperkt aantal gevallen is hulp nodig van een (erkende !) kinderfysiotherapeut om de voorkeurshouding te doorbreken. Soms wordt dan tijdelijk gebruik van een hulpmiddel aangeraden, mits dat alleen gebeurd als de baby wakker is en er toezicht is. Maar pas op: Als de baby slaapt zijn voorwerpen als kussentjes in bed risicoverhogend.
Medisch gezien is scheefhoofdigheid geen probleem – uitgezonderd ernstige vormen die relatief zeldzaam zijn. Geen enkel mens is nu eenmaal helemaal symmetrisch. Bij een baby is het normaal gesproken een tijdelijk verschijnsel dat tegen het tweede jaar nagenoeg is verdwenen.
De kans op vervorming is het grootst in de eerste vier maanden. Dat geldt in het bijzonder voor baby’s met neurologisch letsel en te vroeg geborenen met een ontwikkelingsachterstand. Jongens hebben meer kans op scheefgroei dan meisjes.
Het is vooral belangrijk om afplatting of scheefgroei vóór te zijn, zodat correctie d.m.v. therapie of een (ingrijpender) helmpje later niet nodig is. In haast alle gevallen zijn met oplettendheid en verstandig reageren gevolgen te voorkomen of tot een minimum te beperken. Laat je baby niet lange perioden in dezelfde houding in een stoeltje zitten of liggen, want dan wordt het hoofdje te eenzijdig belast. Houd je uw baby regelmatig overeind om te knuffelen. Laat hem vooral elke dag onder toezicht minimaal drie keer enige tijd oefenen in bewegen op de buik. Dat kan heel goed in de box. Zo lang er toezicht is kan oefenen of liggen op de zij geen kwaad. Oefenen en bewegen voorkomt niet alleen scheefhoofdigheid, maar bevordert tevens de motorische ontwikkeling van het kind.
Zijligging in bed is geen goede oplossing. Zijligging op zich is risicoverhogend. Bovendien wordt een baby al na enkele weken zo beweeglijk dat hij op de zij niet stabiel kan blijven liggen. Als je kind omrolt op de buik, belandt het in een onveilige situatie.
Je baby op de zij vastleggen met behulp van zogeheten stabilisatierolletjes of wigjes is ook géén veilige oplossing. Baby's kunnen ook tussen kussentjes draaien en in een benarde positie geraken. Als gevolg van hun vaak onderschatte kracht zijn helaas fataal afgelopen ongelukken gebeurd. Alleen overdag onder toezicht kan gebruik worden overwogen.
Als een babyhoofdje eenzijdig wordt belast, kan het afplatten of scheef groeien. Voorkomen dat dit gebeurt, is vooral een kwestie van goed opletten en van meet af aan ervoor zorgen dat je baby op de rug slaapt, maar met het hoofdje de ene keer naar links en de volgende maal naar rechts gekeerd. Draait je baby het hoofdje elke keer toch naar dezelfde kant, dan ontwikkelt hij een voorkeurshouding.
Zo'n voorkeurshouding kan hardnekkig zijn. Zodra je een voorkeurshouding opmerkt, is het verstandig om snel in overleg met consultatiebureau of huisarts na te gaan wat daar aan te doen valt.
Je kunt wisselligging van het hoofd stimuleren door bij voorbeeld het bedje te draaien, zodat het licht van een andere kant komt, of door een aandachttrekkend voorwerp te verplaatsen. Bij het aankleden en verschonen kun je de baby zoveel mogelijk benaderen van de kant die niet zijn voorkeur heeft door hem met het achterhoofd naar je toe op het aankleedkussen te leggen. Het helpt ook om bij het voeden steeds van arm te wisselen, bij borstvoeding gaat dat vanzelf, bij flesvoeding moet je er aan denken.
In een beperkt aantal gevallen is hulp nodig van een (erkende !) kinderfysiotherapeut om de voorkeurshouding te doorbreken. Soms wordt dan tijdelijk gebruik van een hulpmiddel aangeraden, mits dat alleen gebeurd als de baby wakker is en er toezicht is. Maar pas op: Als de baby slaapt zijn voorwerpen als kussentjes in bed risicoverhogend.
Medisch gezien is scheefhoofdigheid geen probleem – uitgezonderd ernstige vormen die relatief zeldzaam zijn. Geen enkel mens is nu eenmaal helemaal symmetrisch. Bij een baby is het normaal gesproken een tijdelijk verschijnsel dat tegen het tweede jaar nagenoeg is verdwenen.
De kans op vervorming is het grootst in de eerste vier maanden. Dat geldt in het bijzonder voor baby’s met neurologisch letsel en te vroeg geborenen met een ontwikkelingsachterstand. Jongens hebben meer kans op scheefgroei dan meisjes.
Het is vooral belangrijk om afplatting of scheefgroei vóór te zijn, zodat correctie d.m.v. therapie of een (ingrijpender) helmpje later niet nodig is. In haast alle gevallen zijn met oplettendheid en verstandig reageren gevolgen te voorkomen of tot een minimum te beperken. Laat je baby niet lange perioden in dezelfde houding in een stoeltje zitten of liggen, want dan wordt het hoofdje te eenzijdig belast. Houd je uw baby regelmatig overeind om te knuffelen. Laat hem vooral elke dag onder toezicht minimaal drie keer enige tijd oefenen in bewegen op de buik. Dat kan heel goed in de box. Zo lang er toezicht is kan oefenen of liggen op de zij geen kwaad. Oefenen en bewegen voorkomt niet alleen scheefhoofdigheid, maar bevordert tevens de motorische ontwikkeling van het kind.
Zijligging in bed is geen goede oplossing. Zijligging op zich is risicoverhogend. Bovendien wordt een baby al na enkele weken zo beweeglijk dat hij op de zij niet stabiel kan blijven liggen. Als je kind omrolt op de buik, belandt het in een onveilige situatie.
Je baby op de zij vastleggen met behulp van zogeheten stabilisatierolletjes of wigjes is ook géén veilige oplossing. Baby's kunnen ook tussen kussentjes draaien en in een benarde positie geraken. Als gevolg van hun vaak onderschatte kracht zijn helaas fataal afgelopen ongelukken gebeurd. Alleen overdag onder toezicht kan gebruik worden overwogen.
Terug naar de inhoud
Is het gevaarlijk om een baby in te bakeren?
Inbakeren stamt uit oude tijden, toen de mens onder primitieve omstandigheden moest zien te overleven. In de Middeleeuwen werd het ook in ons land veel toegepast, omdat men toen dacht dat het beschermt tegen akelige ziekten als de pest. Sinds een jaar of tien heeft het inwikkelen van een baby zich in Nederland weer enige aanhang verworven. Veel immigranten zijn er van oudsher mee vertrouwd. Het zou volgens de voorstanders heilzaam zijn voor een baby, maar nut en noodzaak zijn totnogtoe vooral veronderstellingen waarvan de juistheid nergens overtuigend is aangetoond. Inbakeren wordt in Nederland niet aangeraden.
Wie het desondanks wil, moet er voor zorgen dat het op een veilige manier gebeurt. Om te beginnen is het verstandig om er even mee te wachten om baby en moeder de tijd te geven aan elkaar te wennen door middel van veel lijfelijk contact. Te vroeg inbakeren kan dat belemmeren. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat een ingebakerde baby zich minder kan uiten via lichaamstaal.
Sterk afgeraden moet worden in te bakeren als een baby niet gezond is of koorts heeft, wanneer de baby een ernstige luchtweginfectie heeft, verschijnselen van of aanleg voor heupdysplasie vertoont, of wanneer scoliose (kromming van de ruggengraat) wordt geconstateerd. De eerste 24 uur na vaccinatie moet niet worden ingebakerd. En niet goed is verkeerd (te dik, te losjes of te strak, met onbeweeglijke beentjes, met bedekt hoofd) of te lang (boven de uiterste leeftijd van 6 maanden) inwikkelen. Dat kan allemaal gevaarlijk zijn.
Vraag, als je wilt inbakeren, eerst advies en instructie op het consultatiebureau. Het cb is ook in staat je te begeleiden bij het op tijd afbouwen van het inbakeren.
Onder bepaalde omstandigheden kan inbakeren ouders van een jonge (tot 7 weken) huilbaby tijdelijk ondersteunen bij het ontwikkelen van een verzorgingspatroon met rust, regelmaat en de voorspelbaarheid die een baby geruststelt.
Zie het antwoord op de vraag over huilbaby’s.
Inbakeren stamt uit oude tijden, toen de mens onder primitieve omstandigheden moest zien te overleven. In de Middeleeuwen werd het ook in ons land veel toegepast, omdat men toen dacht dat het beschermt tegen akelige ziekten als de pest. Sinds een jaar of tien heeft het inwikkelen van een baby zich in Nederland weer enige aanhang verworven. Veel immigranten zijn er van oudsher mee vertrouwd. Het zou volgens de voorstanders heilzaam zijn voor een baby, maar nut en noodzaak zijn totnogtoe vooral veronderstellingen waarvan de juistheid nergens overtuigend is aangetoond. Inbakeren wordt in Nederland niet aangeraden.
Wie het desondanks wil, moet er voor zorgen dat het op een veilige manier gebeurt. Om te beginnen is het verstandig om er even mee te wachten om baby en moeder de tijd te geven aan elkaar te wennen door middel van veel lijfelijk contact. Te vroeg inbakeren kan dat belemmeren. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat een ingebakerde baby zich minder kan uiten via lichaamstaal.
Sterk afgeraden moet worden in te bakeren als een baby niet gezond is of koorts heeft, wanneer de baby een ernstige luchtweginfectie heeft, verschijnselen van of aanleg voor heupdysplasie vertoont, of wanneer scoliose (kromming van de ruggengraat) wordt geconstateerd. De eerste 24 uur na vaccinatie moet niet worden ingebakerd. En niet goed is verkeerd (te dik, te losjes of te strak, met onbeweeglijke beentjes, met bedekt hoofd) of te lang (boven de uiterste leeftijd van 6 maanden) inwikkelen. Dat kan allemaal gevaarlijk zijn.
Vraag, als je wilt inbakeren, eerst advies en instructie op het consultatiebureau. Het cb is ook in staat je te begeleiden bij het op tijd afbouwen van het inbakeren.
Onder bepaalde omstandigheden kan inbakeren ouders van een jonge (tot 7 weken) huilbaby tijdelijk ondersteunen bij het ontwikkelen van een verzorgingspatroon met rust, regelmaat en de voorspelbaarheid die een baby geruststelt.
Zie het antwoord op de vraag over huilbaby’s.
Terug naar de inhoud
Het is heerlijk om na het borstvoeden in bed met de baby in slaap te vallen. Waarom wordt dat afgeraden?
Het samen slapen van ouders en baby wordt wel gepropageerd, omdat het borstvoeden zou stimuleren, een 'natuurlijk proces' zou zijn en veilig. De gedachte klinkt wel sympathiek, maar helaas blijkt in toenemende mate uit internationaal onderzoek dat jonge baby’s in een grote-mensenbed een levensbedreigend risico lopen. Echt veilig is het dus niet. 'Natuurlijk' ook al niet. Er is nooit aangetoond dat samen slapen beschermt, wel dat nabijheid goed is. De baby naast het ouderlijk bed in een wiegje leggen is een veilige oplossing.
Je zou je bed wel minder onveilig kunnen maken door geen dekbed te gebruiken en je baby uit de buurt van kussens en de spleet tussen twee matrassen te houden. Vergeet niet dat je een waterbed en zo’n zachte matras die zich naar je lichaam voegt voor een baby niet veilig kunt maken. Maar zelfs als je er dan ook nog voor zorgt dat je geen slaapmiddelen, alcohol of drugs gebruikt of in oververmoeide of gestresste toestand met de baby in bed kruipt, is het niet zeker dat het voldoende veilig is. Uit onderzoek blijkt ook dat roken (door de ouders) een groter en langer durend risico oplevert bij samen slapen, maar niet helemaal duidelijk is waarom dat zo is.
Samen slapen kwam tot 1994, toen de gewoonte uit de Verenigde Staten Nederland binnenwaaide, eigenlijk niet voor. Nadien bleek uit peilingen dat de gewoonte tot enkele percenten groeide en parallel daarmee werd een toenemend aantal gevallen van overlijden in het ouderlijk bed gedocumenteerd. Dank zij de peilingen en de actuele kennis van gevallen van wiegendood is het verhoogd risico van samen slapen in Nederland duidelijk aan te tonen. Deze bevindingen passen in het beeld dat vooral cultureel bepaalde gewoonten in de omgang met baby’s risico’s scheppen. Risico's die vermeden kunnen worden.
De brede acceptatie en verspreiding van de Veilig Slapen adviezen - die bewust op het verminderen van vage angstgevoelens zijn gericht - heeft ertoe geleid dat ons land een ruime voorsprong heeft op alle overige landen (inclusief de VS) waar men zich inspant wiegendood terug te dringen. Overigens hanteren ook de Amerikanen sinds november 2005 het advies om niet samen met een jonge baby in één bed te slapen.
Je baby slaapt het veiligst in zijn wiegje of bedje naast je eigen bed. Gebeurt het je toch een keer dat je na het voeden samen met de baby in slaap sukkelt, voel je daar dan niet al te ongelukkig of schuldig over, maar leg je kind zodra je even wakker wordt wel meteen op z'n eigen plekje.
Het samen slapen van ouders en baby wordt wel gepropageerd, omdat het borstvoeden zou stimuleren, een 'natuurlijk proces' zou zijn en veilig. De gedachte klinkt wel sympathiek, maar helaas blijkt in toenemende mate uit internationaal onderzoek dat jonge baby’s in een grote-mensenbed een levensbedreigend risico lopen. Echt veilig is het dus niet. 'Natuurlijk' ook al niet. Er is nooit aangetoond dat samen slapen beschermt, wel dat nabijheid goed is. De baby naast het ouderlijk bed in een wiegje leggen is een veilige oplossing.
Je zou je bed wel minder onveilig kunnen maken door geen dekbed te gebruiken en je baby uit de buurt van kussens en de spleet tussen twee matrassen te houden. Vergeet niet dat je een waterbed en zo’n zachte matras die zich naar je lichaam voegt voor een baby niet veilig kunt maken. Maar zelfs als je er dan ook nog voor zorgt dat je geen slaapmiddelen, alcohol of drugs gebruikt of in oververmoeide of gestresste toestand met de baby in bed kruipt, is het niet zeker dat het voldoende veilig is. Uit onderzoek blijkt ook dat roken (door de ouders) een groter en langer durend risico oplevert bij samen slapen, maar niet helemaal duidelijk is waarom dat zo is.
Samen slapen kwam tot 1994, toen de gewoonte uit de Verenigde Staten Nederland binnenwaaide, eigenlijk niet voor. Nadien bleek uit peilingen dat de gewoonte tot enkele percenten groeide en parallel daarmee werd een toenemend aantal gevallen van overlijden in het ouderlijk bed gedocumenteerd. Dank zij de peilingen en de actuele kennis van gevallen van wiegendood is het verhoogd risico van samen slapen in Nederland duidelijk aan te tonen. Deze bevindingen passen in het beeld dat vooral cultureel bepaalde gewoonten in de omgang met baby’s risico’s scheppen. Risico's die vermeden kunnen worden.
De brede acceptatie en verspreiding van de Veilig Slapen adviezen - die bewust op het verminderen van vage angstgevoelens zijn gericht - heeft ertoe geleid dat ons land een ruime voorsprong heeft op alle overige landen (inclusief de VS) waar men zich inspant wiegendood terug te dringen. Overigens hanteren ook de Amerikanen sinds november 2005 het advies om niet samen met een jonge baby in één bed te slapen.
Je baby slaapt het veiligst in zijn wiegje of bedje naast je eigen bed. Gebeurt het je toch een keer dat je na het voeden samen met de baby in slaap sukkelt, voel je daar dan niet al te ongelukkig of schuldig over, maar leg je kind zodra je even wakker wordt wel meteen op z'n eigen plekje.
Terug naar de inhoud
Ik ben zwanger van mijn derde kindje. Voor de vorige twee heb ik steeds een nieuw matrasje aangeschaft, maar is dit wel echt nodig?
Niet per se. De steeds weer opduikende onrust over gebruikte matrasjes is jaren geleden veroorzaakt door publicatie van een inmiddels volkomen weerlegd wetenschappelijk onderzoek dat concludeerde dat er in oude matrasjes giftige gassen zouden ontstaan. Een goed matrasje, nieuw of gebruikt, is vlak, stevig en - natuurlijk is hygiëne belangrijk – schoon. Er zijn onderzoekers die stellen dat bacteriën zich kunnen ontwikkelen in polyuretheen dat door gebruik wat is versleten en waarin vocht is terechtgekomen. Vertrouw je een gebruikt matrasje niet, gebruik het dan niet.
Het is in elk geval verstandig om het oppervlak van een matras te beschermen door gebruik van een stevige onderlegger, met een laken daaroverheen. Kies echter geen materiaal dat geheel afsluit, waardoor lichaamswarmte en vocht niet weg kunnen.
Zie ook de pagina Producten veilig/onveilig.
Niet per se. De steeds weer opduikende onrust over gebruikte matrasjes is jaren geleden veroorzaakt door publicatie van een inmiddels volkomen weerlegd wetenschappelijk onderzoek dat concludeerde dat er in oude matrasjes giftige gassen zouden ontstaan. Een goed matrasje, nieuw of gebruikt, is vlak, stevig en - natuurlijk is hygiëne belangrijk – schoon. Er zijn onderzoekers die stellen dat bacteriën zich kunnen ontwikkelen in polyuretheen dat door gebruik wat is versleten en waarin vocht is terechtgekomen. Vertrouw je een gebruikt matrasje niet, gebruik het dan niet.
Het is in elk geval verstandig om het oppervlak van een matras te beschermen door gebruik van een stevige onderlegger, met een laken daaroverheen. Kies echter geen materiaal dat geheel afsluit, waardoor lichaamswarmte en vocht niet weg kunnen.
Zie ook de pagina Producten veilig/onveilig.
Terug naar de inhoud
Ik hoor tegenstrijdige adviezen over het 'gebruik' van de fopspeen. Is dat nu veilig of niet?
Nederland liep voorop met het advies om een fopspeen te gebruiken. De afgelopen jaren kwamen er steeds meer studies waaruit de fopspeen als een zelfstandige veiligheidsbevorderende factor te voorschijn kwam. Dat geldt vooral als er geen borstvoeding wordt gegeven; bij borstvoeding, die op zichzelf al beschermend werkt, is het effect geringer.
Nu zijn ook andere landen (Amerika, Duitsland, Engeland, etc) overtuigd. Uit die studies blijkt wel dat bij het gebruik aan enkele voorwaarden moet worden voldaan.
Die komen erop neer dat gebruik van een fopspeen het best kan worden beperkt tot hulpmiddel bij het in slaap vallen en tot troosthulpje wanneer een baby zich duidelijk ongemakkelijk voelt of vermoeid is. Gebruik de speen dus niet de hele dag door. De fopspeen wordt gezien als een 'gerust steller', die het kalm in slaap vallen bevordert.
Als de baby eenmaal in slaap is gevallen zal de speen in de meeste gevallen al na korte tijd (een kwartiertje) uit de mond glijden. Mocht de baby zo liggen dat de speen niet weg kan, dan kun je hem zelf voorzichtig uit de mond trekken. Als dat gaat kun je het mondje van de baby sluiten, opdat de ademhaling door de neus wordt gestimuleerd. Dat is echter niet altijd mogelijk.
Op die manier gebruikt bevordert de fopspeen rust en vertrouwen bij de baby. Echter: Leg je een baby die aan een speen is gewend opeens zonder dit middel te slapen, dan blijkt uit diverse studies dat daarmee onrust wordt gewekt. Eenmaal in gebruik is regelmaat dus belangrijk.
Weerstand tegen de fopspeen komt vooral voort uit de vrees dat de borstvoeding zou worden verstoord. Daarom is het advies: geef voorrang aan borstvoeding, laat deze eerst goed op gang komen en ga dan pas een speen gebruiken. Dat borstvoeding en fopspeen elkaar helemaal niet dwars hoeven te zitten wordt duidelijk uit het voorbeeld van Zweden, waar een overgrote meerderheid van de moeders – véél meer dan in Nederland – langdurig borstvoeding geeft, terwijl zij tevens grootverbruikers zijn met meer dan dertig spenen per baby in het eerste levensjaar.
Een ander bezwaar zou bedreiging van het gebit zijn, maar als speengebruik tijdig – dat wil zeggen: tegen het einde van het eerste levensjaar – wordt afgebouwd, is er geen sprake van enig nadeel. Het is wel juist dat overmatig gebruik van de fopspeen de kans vergroot op middenoorontsteking en mondinfecties. Ook met het oog daarop is het verstandig de speen alleen te geven voor het slapen gaan.
Nederland liep voorop met het advies om een fopspeen te gebruiken. De afgelopen jaren kwamen er steeds meer studies waaruit de fopspeen als een zelfstandige veiligheidsbevorderende factor te voorschijn kwam. Dat geldt vooral als er geen borstvoeding wordt gegeven; bij borstvoeding, die op zichzelf al beschermend werkt, is het effect geringer.
Nu zijn ook andere landen (Amerika, Duitsland, Engeland, etc) overtuigd. Uit die studies blijkt wel dat bij het gebruik aan enkele voorwaarden moet worden voldaan.
Die komen erop neer dat gebruik van een fopspeen het best kan worden beperkt tot hulpmiddel bij het in slaap vallen en tot troosthulpje wanneer een baby zich duidelijk ongemakkelijk voelt of vermoeid is. Gebruik de speen dus niet de hele dag door. De fopspeen wordt gezien als een 'gerust steller', die het kalm in slaap vallen bevordert.
Als de baby eenmaal in slaap is gevallen zal de speen in de meeste gevallen al na korte tijd (een kwartiertje) uit de mond glijden. Mocht de baby zo liggen dat de speen niet weg kan, dan kun je hem zelf voorzichtig uit de mond trekken. Als dat gaat kun je het mondje van de baby sluiten, opdat de ademhaling door de neus wordt gestimuleerd. Dat is echter niet altijd mogelijk.
Op die manier gebruikt bevordert de fopspeen rust en vertrouwen bij de baby. Echter: Leg je een baby die aan een speen is gewend opeens zonder dit middel te slapen, dan blijkt uit diverse studies dat daarmee onrust wordt gewekt. Eenmaal in gebruik is regelmaat dus belangrijk.
Weerstand tegen de fopspeen komt vooral voort uit de vrees dat de borstvoeding zou worden verstoord. Daarom is het advies: geef voorrang aan borstvoeding, laat deze eerst goed op gang komen en ga dan pas een speen gebruiken. Dat borstvoeding en fopspeen elkaar helemaal niet dwars hoeven te zitten wordt duidelijk uit het voorbeeld van Zweden, waar een overgrote meerderheid van de moeders – véél meer dan in Nederland – langdurig borstvoeding geeft, terwijl zij tevens grootverbruikers zijn met meer dan dertig spenen per baby in het eerste levensjaar.
Een ander bezwaar zou bedreiging van het gebit zijn, maar als speengebruik tijdig – dat wil zeggen: tegen het einde van het eerste levensjaar – wordt afgebouwd, is er geen sprake van enig nadeel. Het is wel juist dat overmatig gebruik van de fopspeen de kans vergroot op middenoorontsteking en mondinfecties. Ook met het oog daarop is het verstandig de speen alleen te geven voor het slapen gaan.
Terug naar de inhoud
Overal staat dat de babykamer niet warmer mag zijn dan 18 graden, maar wat doe je dan in een hete zomer?
In de eerste zes tot acht levensweken is 20 graden een goede slaapkamertemperatuur. Daarna ligt de ideale kamertemperatuur tussen 15 en 18 graden. Stel de centrale verwarming daar op af. Als het in de zomer erg warm word, is het verstandig om er net als voor jezelf ook voor de baby het beste van te maken: desnoods alleen in een rompertje onder een klamboe (buiten bereik van de babyhandjes). En tochtvrij uiteraard. Wiegendood komt niet vaker in de zomer voor, juist eerder in de winter. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de neiging om juist in de wintermaanden de kinderen extra warm aan te kleden en toe te dekken – te warm voor de moderne slaapkamer met centrale verwarming.
Nu we het daar toch over hebben: doe ook wat aan de kleding van de baby als het in de auto lekker warm wordt of wanneer je uit de frisse buitenlucht een warme omgeving binnengaat. Warmtestuwing is een effect dat zich heel snel kan voordoen en dat gevaarlijk is voor een baby.
Erg belangrijk: Een baby regelt zijn temperatuur vooral via het hoofdje. Alleen in de eerste levensweek - bij prematuren wat langer - kan een mutsje de baby helpen op temperatuur te blijven. Laat het hoofd daarna binnenshuis tijdens het slapen altijd onbedekt. Neem verder jezelf als maatstaf. Heb je het warm en wil je wat luchtigers aan, dan heeft je baby daar ook behoefte aan.
Handig is een thermometer in de babykamer.
Als je wilt controleren of een slapende baby het niet te warm heeft, voel dan aan het nekje. Meer zekerheid nog geven de voetjes. Voelen die lauw aan, dan heeft de baby het aangenaam.
In de eerste zes tot acht levensweken is 20 graden een goede slaapkamertemperatuur. Daarna ligt de ideale kamertemperatuur tussen 15 en 18 graden. Stel de centrale verwarming daar op af. Als het in de zomer erg warm word, is het verstandig om er net als voor jezelf ook voor de baby het beste van te maken: desnoods alleen in een rompertje onder een klamboe (buiten bereik van de babyhandjes). En tochtvrij uiteraard. Wiegendood komt niet vaker in de zomer voor, juist eerder in de winter. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de neiging om juist in de wintermaanden de kinderen extra warm aan te kleden en toe te dekken – te warm voor de moderne slaapkamer met centrale verwarming.
Nu we het daar toch over hebben: doe ook wat aan de kleding van de baby als het in de auto lekker warm wordt of wanneer je uit de frisse buitenlucht een warme omgeving binnengaat. Warmtestuwing is een effect dat zich heel snel kan voordoen en dat gevaarlijk is voor een baby.
Erg belangrijk: Een baby regelt zijn temperatuur vooral via het hoofdje. Alleen in de eerste levensweek - bij prematuren wat langer - kan een mutsje de baby helpen op temperatuur te blijven. Laat het hoofd daarna binnenshuis tijdens het slapen altijd onbedekt. Neem verder jezelf als maatstaf. Heb je het warm en wil je wat luchtigers aan, dan heeft je baby daar ook behoefte aan.
Handig is een thermometer in de babykamer.
Als je wilt controleren of een slapende baby het niet te warm heeft, voel dan aan het nekje. Meer zekerheid nog geven de voetjes. Voelen die lauw aan, dan heeft de baby het aangenaam.
Terug naar de inhoud
Kan ik met mijn baby naar een ver land vliegen? Of: met de auto naar Spanje op vakantie?
Uit geen enkel onderzoek is tot dusverre gebleken dat reizen per vliegtuig gevaarlijk is voor een baby. Wel is het verstandig om tijdens de reis zoveel mogelijk vast te houden aan het normale ritme van de baby. Verstoring van het waakslaapritme – door een verkoudheid, maar ook door een lange reis - kan leiden tot een (uitgeputte) extra diepe slaap. Uit zo'n diepe slaap is het kind moeilijker wekbaar, en daardoor extra kwetsbaar als het in een bedreigende situatie terecht komt.
Het is dus bij elke reis met een baby verstandig om het vertrouwde ritme van het kind - voeden, verzorgen, rusten, slapen - zo veel mogelijk aan te houden. Let daar ook na aankomst extra op. Verder gelden zoals altijd de aanbevelingen om de baby niet op de buik te laten slapen, niet in de buurt van het kind te roken en attent te zijn op warmtestuwing. Pas kleding en slaapplaats zo goed mogelijk aan als de temperatuur in de cabine of op de plaats van bestemming hoog oploopt.
Het geven van slaapmedicatie om de vlucht te vergemakkelijken moet sterk worden afgeraden. Medicijnen met slaapverwekkende (bij)werking mogen onder de twee jaar nóóit toegediend worden.
Een reis per auto naar Spanje (of vergelijkbare bestemming) duurt aanmerkelijk langer dan een vliegreis en dat maakt het aanzienlijk lastiger, wellicht te lastig, om aan bovenstaande leidraad te voldoen. Zelfs aan een goedgekeurd autostoeltje kleven voor een jonge baby risico’s, vooral voor te vroeg geborenen, bij verkoudheid of grieperigheid, verhoging en bepaalde (hart)afwijkingen.
Uit geen enkel onderzoek is tot dusverre gebleken dat reizen per vliegtuig gevaarlijk is voor een baby. Wel is het verstandig om tijdens de reis zoveel mogelijk vast te houden aan het normale ritme van de baby. Verstoring van het waakslaapritme – door een verkoudheid, maar ook door een lange reis - kan leiden tot een (uitgeputte) extra diepe slaap. Uit zo'n diepe slaap is het kind moeilijker wekbaar, en daardoor extra kwetsbaar als het in een bedreigende situatie terecht komt.
Het is dus bij elke reis met een baby verstandig om het vertrouwde ritme van het kind - voeden, verzorgen, rusten, slapen - zo veel mogelijk aan te houden. Let daar ook na aankomst extra op. Verder gelden zoals altijd de aanbevelingen om de baby niet op de buik te laten slapen, niet in de buurt van het kind te roken en attent te zijn op warmtestuwing. Pas kleding en slaapplaats zo goed mogelijk aan als de temperatuur in de cabine of op de plaats van bestemming hoog oploopt.
Het geven van slaapmedicatie om de vlucht te vergemakkelijken moet sterk worden afgeraden. Medicijnen met slaapverwekkende (bij)werking mogen onder de twee jaar nóóit toegediend worden.
Een reis per auto naar Spanje (of vergelijkbare bestemming) duurt aanmerkelijk langer dan een vliegreis en dat maakt het aanzienlijk lastiger, wellicht te lastig, om aan bovenstaande leidraad te voldoen. Zelfs aan een goedgekeurd autostoeltje kleven voor een jonge baby risico’s, vooral voor te vroeg geborenen, bij verkoudheid of grieperigheid, verhoging en bepaalde (hart)afwijkingen.
Bedenk dat een jonge baby altijd het best af is in de eigen, vertrouwde omstandigheden thuis. Het kan geen kwaad je steeds af te vragen of het echt noodzakelijk is om met je baby op pad te gaan.
Terug naar de inhoud
Sommige mensen laten hun baby niet vaccineren, omdat bang zijn voor de gevolgen. Is dat terecht en is er verhoogd risico op wiegendood?
De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Van alle zuigelingen volgt 90 tot 95 procent het door het ministerie van Volksgezondheid vastgestelde Rijksvaccinatieprogramma, dat wordt uitgevoerd onder supervisie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) te Bilthoven. De hoge deelnemingsgraad is de basis voor het welslagen van de ziektepreventie die wordt nagestreefd. Zo lang het aantal niet-deelnemende zuigelingen beperkt blijft, genieten ook die bescherming tegen epidemische uitbraken van allerlei, soms levensbedreigende ziekten. Ouders die besluiten niet te vaccineren baseren zich in de regel op godsdienstige of niet bewezen theoretische argumenten.
Het vaccinatieprogramma is niet onveranderbaar. Nieuwe ziektepatronen, mutaties van ziekteverwekkende bacteriën en de ontwikkeling van steeds weer nieuwe vaccins nopen van tijd tot tijd tot aanpassingen. Zowel voor als na invoering wordt scherp in de gaten gehouden welke nadelige bijwerkingen zich voordoen. Nadelige gevolgen zijn nooit helemaal te vermijden, maar het lijdt geen twijfel dat zij in aantal zeer gering zijn en in het niet vallen bij de voordelen van inenten tegen ziekten die zonder bescherming veel slachtoffers maken.
Alle vermoede bijwerkingen van vaccinaties moeten in Nederland via de betrokken arts of rechtstreeks worden gemeld bij het RIVM en gerapporteerd aan de Gezondheidsraad. Deze raad beoordeelt en controleert het werk van het RIVM in dezen. Per jaar worden kinderen meer dan 2,5 miljoen keer gevaccineerd. Klachten over bijwerkingen worden door het RIVM geregistreerd. Het gaat om tientallen bijwerkingen van uiteenlopende aard: van lichte en tijdelijke ziekte, bij voorbeeld koorts of langdurig huilen, tot heftige en soms langdurige verschijnselen. Ernstige klachten moeten ter beoordeling worden voorgelegd aan de Gezondheidsraad.
Volgens het RIVM ,,is nog nooit vastgesteld dat er iemand is gestorven als direct gevolg van een vaccinatie.'' In november 2002 concludeerde een commissie van de Gezondheidsraad dat er 'tussen 1995 en 2001 'mogelijk' één kind aan de gevolgen van vaccinatie zou zijn overleden'.
In vele landen is de afgelopen decennia onderzoek gedaan naar mogelijk verband tussen vaccinaties en wiegendood. Dat de vraag rijst is begrijpelijk, omdat vaccinaties voor een deel gebeuren in dezelfde periode waarin wiegendood zich voordoet. Nimmer is tot op heden een oorzakelijke relatie gevonden. Toch wordt vanuit niet-wetenschappelijke kring, met name door de op pseudo-wetenschap leunende Vereniging Kritisch Prikken, de suggestie op basis van ondeugdelijke en misleidende informatie levend gehouden. Geen enkele bewering over vaccinaties uit die hoek echter is ooit houdbaar gebleken.
In Nederland is mede dank zij het doorlopende onderzoek van de Landelijke Werkgroep Wiegendood (LWW) naar actuele gevallen van wiegendood relatief veel bekend over toedracht en omstandigheden. Ook deze extra beoordeling heeft nimmer enig verband laten zien met vaccinaties.
In Engeland hebben onderzoekers in de jaren negentig aanwijzingen gevonden dat vaccinaties het risico op SIDS verminderen. Dergelijke aanwijzingen zijn al in de jaren 1979 en 1980 gerapporteerd door Amerikaanse onderzoekers. Een in 2007 gepubliceerde Duitse metastudie bevestigde de beschermende effecten van vaccinaties.
Zie de rubriek Links voor een verwijzing naar de website met het rijksvaccinatieprogramma.
De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Van alle zuigelingen volgt 90 tot 95 procent het door het ministerie van Volksgezondheid vastgestelde Rijksvaccinatieprogramma, dat wordt uitgevoerd onder supervisie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) te Bilthoven. De hoge deelnemingsgraad is de basis voor het welslagen van de ziektepreventie die wordt nagestreefd. Zo lang het aantal niet-deelnemende zuigelingen beperkt blijft, genieten ook die bescherming tegen epidemische uitbraken van allerlei, soms levensbedreigende ziekten. Ouders die besluiten niet te vaccineren baseren zich in de regel op godsdienstige of niet bewezen theoretische argumenten.
Het vaccinatieprogramma is niet onveranderbaar. Nieuwe ziektepatronen, mutaties van ziekteverwekkende bacteriën en de ontwikkeling van steeds weer nieuwe vaccins nopen van tijd tot tijd tot aanpassingen. Zowel voor als na invoering wordt scherp in de gaten gehouden welke nadelige bijwerkingen zich voordoen. Nadelige gevolgen zijn nooit helemaal te vermijden, maar het lijdt geen twijfel dat zij in aantal zeer gering zijn en in het niet vallen bij de voordelen van inenten tegen ziekten die zonder bescherming veel slachtoffers maken.
Alle vermoede bijwerkingen van vaccinaties moeten in Nederland via de betrokken arts of rechtstreeks worden gemeld bij het RIVM en gerapporteerd aan de Gezondheidsraad. Deze raad beoordeelt en controleert het werk van het RIVM in dezen. Per jaar worden kinderen meer dan 2,5 miljoen keer gevaccineerd. Klachten over bijwerkingen worden door het RIVM geregistreerd. Het gaat om tientallen bijwerkingen van uiteenlopende aard: van lichte en tijdelijke ziekte, bij voorbeeld koorts of langdurig huilen, tot heftige en soms langdurige verschijnselen. Ernstige klachten moeten ter beoordeling worden voorgelegd aan de Gezondheidsraad.
Volgens het RIVM ,,is nog nooit vastgesteld dat er iemand is gestorven als direct gevolg van een vaccinatie.'' In november 2002 concludeerde een commissie van de Gezondheidsraad dat er 'tussen 1995 en 2001 'mogelijk' één kind aan de gevolgen van vaccinatie zou zijn overleden'.
In vele landen is de afgelopen decennia onderzoek gedaan naar mogelijk verband tussen vaccinaties en wiegendood. Dat de vraag rijst is begrijpelijk, omdat vaccinaties voor een deel gebeuren in dezelfde periode waarin wiegendood zich voordoet. Nimmer is tot op heden een oorzakelijke relatie gevonden. Toch wordt vanuit niet-wetenschappelijke kring, met name door de op pseudo-wetenschap leunende Vereniging Kritisch Prikken, de suggestie op basis van ondeugdelijke en misleidende informatie levend gehouden. Geen enkele bewering over vaccinaties uit die hoek echter is ooit houdbaar gebleken.
In Nederland is mede dank zij het doorlopende onderzoek van de Landelijke Werkgroep Wiegendood (LWW) naar actuele gevallen van wiegendood relatief veel bekend over toedracht en omstandigheden. Ook deze extra beoordeling heeft nimmer enig verband laten zien met vaccinaties.
In Engeland hebben onderzoekers in de jaren negentig aanwijzingen gevonden dat vaccinaties het risico op SIDS verminderen. Dergelijke aanwijzingen zijn al in de jaren 1979 en 1980 gerapporteerd door Amerikaanse onderzoekers. Een in 2007 gepubliceerde Duitse metastudie bevestigde de beschermende effecten van vaccinaties.
Zie de rubriek Links voor een verwijzing naar de website met het rijksvaccinatieprogramma.
Terug naar de inhoud
Ik heb een tweeling en het lijkt me goed en gezellig voor de kinderen om ze samen in de wieg te leggen. Is dat veilig?
In diverse studies is aangetoond dat tweelingen een verhoogd risico lopen op wiegendood, ook als rekening wordt gehouden met vroeggeboorte en laag geboortegewicht. In Nederland werd in 2002 geconstateerd dat het percentage meerlingkinderen onder de wiegendoodkinderen tweemaal zo hoog was als in de algemene bevolking.
Uit epidemiologisch onderzoek blijkt steeds opnieuw dat samen slapen in één bed, het ouderlijk bed (bedsharing), een serieus risico oplevert. Hoe jonger het kind is, hoe groter het risico. Het spreekt niet vanzelf dat dit ook geldt voor het samen slapen met een tweelingbroer of –zusje. Uit vele epidemiologische echter weten we dat allerlei objecten in het babybed gevaar kunnen opleveren. Dat gaat dan wel om knuffels, kussens, hoofdbeschermers, etc., maar het ligt voor de hand dat een relatief groot, warmte afgevend object als een andere baby, die bovendien kan bewegen, ook gevaarlijk zou kunnen zijn.
In sommige ziekenhuizen worden premature (te vroeg geboren) en/of dysmature (laag geboortegewicht) tweelingen bij elkaar gelegd in een couveuse: er zijn dan speciale couveuses voor tweelingen. Dat heeft in bepaalde opzichten voordelen. Tijdens de couveuseperiode in het ziekenhuis echter staan de kinderen onder medisch toezicht, worden zij bewaakt d.m.v. een monitor en zijn zij relatief onbeweeglijk, etc.
Thuis is het veiliger om een tweeling niet in één bedje te leggen. Of het bedje nu krap of ruim is, de veiligheid wordt bevorderd door alle dingen weg te laten waar een kind met het gelaat tegenaan kan komen te liggen of waarmee het bedekt kan raken. Helaas geldt in dat opzicht ook de andere helft van de tweeling al na betrekkelijk korte tijd als een risicoverhogend object voor de ander. Bovendien worden baby’s beweeglijker en kunnen zij op een gegeven moment omrollen.
Veel ziekenhuizen delen de opvatting dat het niet goed is om ouders vertrouwd te maken met verzorgingsgewoonten die risicofactoren inhouden. Ze zien daarom af van tweelingcouveuses (co-bedding) en informeren ouders voor ontslag over de adviezen Veilig Slapen, waarbij er op kan worden gewezen dat buikslapen voor premature en dysmature kinderen extra risicoverhogend is.
Er is uiteraard niets op tegen om de wiegjes of bedjes dichtbij elkaar te zetten, zodat de baby's elkaar kunnen horen en na enige tijd ook zien. En uiteraard kunnen ze gezellig samen in de box als ze wakker zijn en er toezicht is.
In diverse studies is aangetoond dat tweelingen een verhoogd risico lopen op wiegendood, ook als rekening wordt gehouden met vroeggeboorte en laag geboortegewicht. In Nederland werd in 2002 geconstateerd dat het percentage meerlingkinderen onder de wiegendoodkinderen tweemaal zo hoog was als in de algemene bevolking.
Uit epidemiologisch onderzoek blijkt steeds opnieuw dat samen slapen in één bed, het ouderlijk bed (bedsharing), een serieus risico oplevert. Hoe jonger het kind is, hoe groter het risico. Het spreekt niet vanzelf dat dit ook geldt voor het samen slapen met een tweelingbroer of –zusje. Uit vele epidemiologische echter weten we dat allerlei objecten in het babybed gevaar kunnen opleveren. Dat gaat dan wel om knuffels, kussens, hoofdbeschermers, etc., maar het ligt voor de hand dat een relatief groot, warmte afgevend object als een andere baby, die bovendien kan bewegen, ook gevaarlijk zou kunnen zijn.
In sommige ziekenhuizen worden premature (te vroeg geboren) en/of dysmature (laag geboortegewicht) tweelingen bij elkaar gelegd in een couveuse: er zijn dan speciale couveuses voor tweelingen. Dat heeft in bepaalde opzichten voordelen. Tijdens de couveuseperiode in het ziekenhuis echter staan de kinderen onder medisch toezicht, worden zij bewaakt d.m.v. een monitor en zijn zij relatief onbeweeglijk, etc.
Thuis is het veiliger om een tweeling niet in één bedje te leggen. Of het bedje nu krap of ruim is, de veiligheid wordt bevorderd door alle dingen weg te laten waar een kind met het gelaat tegenaan kan komen te liggen of waarmee het bedekt kan raken. Helaas geldt in dat opzicht ook de andere helft van de tweeling al na betrekkelijk korte tijd als een risicoverhogend object voor de ander. Bovendien worden baby’s beweeglijker en kunnen zij op een gegeven moment omrollen.
Veel ziekenhuizen delen de opvatting dat het niet goed is om ouders vertrouwd te maken met verzorgingsgewoonten die risicofactoren inhouden. Ze zien daarom af van tweelingcouveuses (co-bedding) en informeren ouders voor ontslag over de adviezen Veilig Slapen, waarbij er op kan worden gewezen dat buikslapen voor premature en dysmature kinderen extra risicoverhogend is.
Er is uiteraard niets op tegen om de wiegjes of bedjes dichtbij elkaar te zetten, zodat de baby's elkaar kunnen horen en na enige tijd ook zien. En uiteraard kunnen ze gezellig samen in de box als ze wakker zijn en er toezicht is.
Terug naar de inhoud
Hoe kom ik er achter of een babyartikel veilig is of niet? Kan ik vertrouwen op de informatie die in winkels of op internet wordt gegeven?
Het leven is nooit voor honderd procent veilig. Zeker niet voor een kwetsbare baby die volledig afhankelijk is van zijn ouders of verzorgers. Volwassenen hebben de mogelijkheden om de situatie of omgeving zo veilig mogelijk te maken. Onder meer door na te gaan welke producten echt nodig en nuttig zijn, en hoe ze veilig kunnen worden gebruikt.
Voorwerpen en objecten op zich zijn niet gevaarlijk. Risico kan alleen ontstaan door de wijze waarop mensen met wiegen, bedjes, beddengoed, babyartikelen of kleding omgaan. Veiligheidskeurmerken hebben een veel beperkter betekenis dan de meeste mensen beseffen. Ook Europese normen, hoe nuttig ook, reiken niet verder dan technische aspecten. Keurmerken en normen geven geen houvast over het gebruik van een product en de omstandigheden waaronder risico ontstaat. Terwijl het vrijwel altijd de toepassing is, de wijze van gebruiken die een baby in problemen kan brengen. Risico betekent gelukkig niet meteen een fatale afloop, maar waarom zou je zelfs maar de geringste kans willen lopen.
Helaas kun je als consument niet zonder meer vertrouwen op de informatie van fabrikanten en winkeliers. Ook al bedoelen zij het goed: om de mate van veiligheid of onveiligheid in uiteenlopende situaties te kunnen beoordelen is meer kennis en inzicht nodig dan men redelijkerwijs bij hen mag verwachten. Kennis bij voorbeeld van ontwikkeling en gedrag van baby’s, de vele verschillen daarin, invloeden van vroeggeboorte, ziekten en afwijkingen, behandelmethoden en medicijnen. Inzicht op basis van betrouwbare studies en praktijkervaring, inzicht dat voortschrijdt naarmate wetenschap en toepassing nieuwe bevindingen opleveren.
Het overzicht Producten veilig/onveilig op deze site beoogt tegenwicht te bieden aan de vaak onvolledige, soms onjuiste en in enkele gevallen helaas zelfs misleidende informatie die fabrikanten, importeurs en winkeliers over producten bieden. Wie veiligheid belangrijk vindt kan in het eerste deel vinden waar bij gangbare artikelen op dient te worden gelet. In het tweede gedeelte worden specifieke producten aan een risicoanalyse onderworpen.
Internet biedt oneindig veel informatie. Goede informatie, minder goede, maar ook slechte en zelfs volstrekt onjuiste of misleidende informatie. Kennis en een kritische instelling kunnen helpen bij het maken van onderscheid.
Let om te beginnen op de kwaliteit: Maakt de bron zich met naam en toenaam bekend, is zij deskundig en onafhankelijk, bereid om heldere uitleg te geven en vragen te beantwoorden? Is de informatie controleerbaar juist?
Of heb je te maken met een actiegroep, wordt er een vaag verhaal opgehangen of vanuit een bepaalde overtuiging van alles beweerd, maar weinig of niets aangetoond? Spelen belangen een rol, staat bij voorbeeld de verkoop van producten en hulpmiddelen voorop? Word je misschien volgens het beproefde commerciële recept een beetje bang gemaakt voor wiegendood om je een product te kunnen verkopen dat ‘helpt’?
Wees wijs, wees kritisch, volg de adviezen Veilig Slapen en geniet onbekommerd van je baby.
De informatie op deze website mag door iedereen worden getoetst. Reageer als je een onjuistheid signaleert.
Terug naar de inhoud

